Het Midzelenfort

Halverwege de jaren 1800 realiseerde het Belgische leger zich dat het geen vijandelijke aanval kon weerstaan met alleen het veldleger. Als een aanval niet zou kunnen gestopt worden moest het leger zich kunnen terugtrekken in gefortificeerde verdedigingsstellingen. Om die strategie te kunnen uitvoeren moesten forten gebouwd worden op strategisch belangrijke plaatsen zoals de stad Antwerpen die gelegen was op de verdedigingslinie langs de Rupel en de Nete in het noorden en de streek rond Namen en Luik in het zuidoosten.

Antwerpen zou de vluchtstad zijn voor de regering indien Brussel bedreigd zou worden.

 

Om een goede verdediging te voorzien wordt een ring van forten gebouwd rond Antwerpen. Generaal Henri Brialmont is hier voor verantwoordelijk. De forten worden opgetrokken in de periode van 1859 tot 1914.

Een eerste (binnenste) fortenring, bestaande uit acht grote, bakstenen forten, wordt gebouwd tussen 1859 en 1879. Ze bevinden zich op slechts 5 tot 6 km van het Antwerpse stadscentrum. Deze twee elementen zijn de oorzaak van het feit dat de linie moeilijk te verdedigen is.

Dus wordt besloten een tweede, sterkere fortenring uit te bouwen op een afstand van 10 tot 15 km van het stadscentrum. Dit is de “hoofdweerstandslijn”. Men gebruikt nu baksteen, soms versterkt met beton. Sommige worden volledig uit ongewapend beton opgetrokken. Men denkt dat dit materiaal volstaat omdat op dat moment het zwaarst gekende geschut het Franse 27cm mortier is. De betonnen forten zouden dit zonder problemen kunnen weerstaan … De buitenmuren zijn 5 tot 4 meter dik, de binnenmuren 1,4 meter. De geschutskoepels krijgen een 22 cm dikke bepantsering. In totaal worden 22 forten en talloze kleinere verdedigingspunten (schansen) gebouwd, over een totale afstand van 95 km. De grote forten staan ruwweg 5 kilometer van elkaar, met daartussen de verschillende schansen. Voor het operationeel houden en onderhoud van deze enorme fortificaties zijn 90.000 soldaten nodig.

 

Tijdens het begin van de oorlog in 1914 beschiet het Duitse leger de forten rond Luik met 30,5 en 42 cm mortieren. Het ongewapende beton van de Belgische forten is er niet tegen bestand. Vooral het 42cm geschut “Dikke Bertha” is in staat met gemak het 4 meter dikke beton te penetreren, met desastreuze gevolgen.

Op 4 september lanceren de Duitsers een grote aanval op de sector Walem-Breendonk. Ze gebruiken gewone veldartillerie, maar zonder veel effect. Op 22 september vallen ze opnieuw aan in de sector Walem-Lier, met de bedoeling een doorbraak te forceren naar Antwerpen.

Nu worden de Dikke Bertha’s ingeschakeld. Het fort van Sint Katelijne Waver wordt het zwaarst getroffen : welgeteld drie granaten van 1 ton zijn voldoende om het fort zo zwaar te beschadigen dat het wordt opgegeven door het Belgische garnizoen. In totaal worden 327 granaten van 30,5 cm en 171 granaten kaliber 42 cm op het fort afgevuurd.

 

Ook een aantal andere forten uit de buitenste gordel zijn betrokken in zware gevechten, waaronder die van Lier, Walem en Koningshooikt. Het 'Fort Midzelen' of 'Groot Fort' in Sint-Katelijne-Waver behoort, samen met de twee schansen Dorpveld en Bosbeek, tot de buitenste fortengordel rond Antwerpen. Het pantserfort in ongewapend beton wordt opgericht tussen 1906 en 1912. Het is het sterkst bewapende fort van de versterkte stelling rond het Nationaal Reduit te Antwerpen. Tijdens de Kwade Week, de vier dagen durende beschietingen van de forten rond het Antwerpse, wordt het fort van Sint-Katelijne-Waver het zwaarst getroffen.

 

De sporen zijn vandaag nog zeer duidelijk te zien : o.a. een groot gat in de hoofdgang en de volledig weggeschoten linkergeschutsstelling aan de ingang. Overal doorheen de muren lopen grote barsten.

 

Ook de twee schansen worden zwaar toegetakeld. Schans Dorpveld biedt het langst weerstand en is voor de Duitsers een harde noot om te kraken.

 

Omwille van de enorme vuurkracht van de Duitse artillerie en de snelle Duitse opmars, heeft het Belgische leger niet veel hoop meer op een adequate verdediging van Antwerpen. Op 2 oktober ’s avonds beveelt koning Albert dat het leger zich moet terugtrekken achter de Rupel-Nete lijn. De forten worden aan hun lot overgelaten.

Op 7 oktober trekt het Belgische leger zich terug achter de IJzer, om het contact met het geallieerde leger niet te verliezen. Het behoudt die positie de rest van de oorlog.

 

Zo goed als alle forten uit die turbulente periode bestaan nog. Het zijn relikwieën geworden van de Belgische militaire historiek van de twintigste eeuw.

De zware gevechten van 1914 werden gevolgd door het gebruik als oa munitiedepots door de Duitsers, de wederingebruikname door het Belgisch leger in het Interbellum, de bezetting door de Duitsers in WOII en nog een korte gebruiksperiode door het Belgisch leger tot in de jaren vijftig van vorige eeuw. Daarna werden ze door het leger verlaten en stonden lange tijd leeg. De laatste jaren werden sommige, dank zij de inspanningen van vele vrijwilligers, enthousiastelingen en historici, gerestaureerd om nu dienst te doen als recreatiecentra of als woonst voor … vleermuizenkolonies.

Sinds 2001 hebben een aantal keramisten hun atelier in de vroegere soldatenverblijven van het Midzelenfort.

Het is een biezondere omgeving, waar 100 jaar geleden vele jonge levens aan flarden werden gescheurd. Levens die nooit geleefd werden en verneveld werden in de kruitdampen van de gruwelijke granaatinslagen.

De groene omgeving en de rust en de stilte van vandaag staan in schril contrast met de septemberdagen van 1914. Het oude fort is nu, door de aanwezigheid van creatieve kunstenaars, een symbool voor de soms vreemde dualiteit die onlosmakelijk deel uitmaakt van het menselijk leven. Of hoe oorlog vreedzame omgevingen kan creëren … hoe vernietiging gevolgd wordt door creatie …

 

Maar 's avonds, als het donker en stil is in het fort, denk je soms vaag het geschreeuw, de verwarring, het lawaai, de stank en de paniek te horen, te ruiken en te voelen. Het is soms vreemd te creëren waar zoveel vernietiging was.

 

Het Midzelenfort